Kinderen
lezen nog liever turven over betoverde schaakborden, cybergeboefte of ontvoerde
honden dan dat ze zich in een bundeltje gedichten willen verdiepen. Dat is
begrijpelijk. Poëzie is met moeite spannend of opwindend te noemen. Er
gebeurt nauwelijks wat en makkelijk is anders. De nieuwe ontwikkelingen in
de jeugdpoëzie hebben allicht ook met die karige belangstelling te maken.
Er wordt vaak cryptisch, suggestief en experimenteel geschreven. En dat schept
drempelvrees. De rechttoe rechtaan, grappige en/of ontroerende gedichten van
Annie M.G.Schmidt, Han Hoekstra, Willem Wilmink en Karel Eyckman, of de rebelse
en emotionele ontladingen van Hans Dorrestijn en soortgenoten worden nog wel
druk gelezen. De nieuwe generatie dichters voor de jeugd vraagt heel wat leeswerk
'tussen de regels'. En daar schrikken ook onderwijzers en leraren wel eens
voor terug. Dat uitgevers poëziebundels voor een jong publiek riskante
ondernemingen vinden, was de voorbije maand te voelen. Zelden was de oogst
zo schraal. Wel jammer, want er zijn nogal wat interessante dichters aan het
werk. André Sollie, Ted van Lieshout, Johanna Kruit, Wiel Kusters,
Gil vander Heyden, Daniel Billiet, Leendert Witvliet, Edward van de Vendel,
Ed Franck a.a. tastten de voorbij jaren met succes de grenzen tussen de volwassen
en jeugdpoëtica af. De Nederlandse dichter en verhalenschrijver Hans
Hagen is ook zo iemand. Hij schreef eerder al samen met zijn vrouw Monique
Hagen geestige en ritmische kleuterversjes. Die werden onlangs gebundeld in
Ik zie lichtjes in je ogen (Van Goor), voortreffelijk geïllustreerd
door Marit Törnqvist. Salto Natale (1994) was zijn eerste bundel
voor 'gevorderden' met een reeks sterke en aangrijpende gedichten over leven
en dood. Ook in zijn nieuwste gedichten, samengebracht in Ik schilder je
in woorden worden die thema's verder verkend. De toon is wisselend luchtig
en ernstig beschouwend. Er wordt vaak met taal gespeeld, in woordspelingen
en dubbele bodems. In 'Spraakgebrek' bijvoorbeeld, verzucht de stuntelig verliefde
ik-verteller hoe hij pas weer vlotjes en welsprekend wordt als zijn aanbedene
uit het zicht is verdwenen ("achteraf weet ik/ wat ik had willen zeggen/
precies wat ik had moeten doen/ grijp ik alle kansen/ eindigt ons gesprek/
niet in spraakgebrek") Grappig is ook het dubbele gebruik van "schaamrood"
in 'Gebed', een misleidende titel voor een gedicht over vergeefse pogingen
om geld uit de muur te halen; de geldautomaat als almachtige god. En "welbuiten"
wenst de dichter zijn lezers in het slotgedicht 'Dag', "ik blijf nog
even hier", en hij vraagt "de laatste die dit boek verlaat"
deuren en ramen te sluiten, de lichten uit te doen en de verwarming laag te
zetten. Over schrijven gaat het ook in 'Zinnen': zinnen worden als kazen op
een plank wachtend "op de hand die het blad omslaat/ het oog dat langs
de regels gaat/ op wie hen weegt en keert/ en met zich draagt". Hans
Hagen schrijft 'volwassen' poëzie voor jonge lezers: net nog toegankelijk
genoeg, zonder ergerlijke aanstellerij en met de nodige herkenbaarheid. Dat
is zeker het geval in een cyclus van zes gedichten over de aftakeling en de
dood van de moeder. 'Spuug en vaatdoekenpunt' roept herinneringen op aan hoe
zijn moeder zijn mond schoonveegde ("ik ruik nog hoe het was") voor
ze hem "naar school kuste". De tweede strofe maakt duidelijk dat
alles anders is geworden: zij blijft binnen in "zwaait mij weg door glas/
in de spiegelschone ruit/ fiets ik haar buik in en uit". Weer een ander
en inmiddels nog afstandelijker afscheid in het gedicht 'De stilte'. Geen
warme kussen of zorgende spuug op een vaatdoek meer, maar koude vingers "om
mijn hand als ik vertrek/ onder zachte dwang duw je/ een soort van kus op
m'n wang". En of de dood een begin of een einde betekent, is de vraag
in 'Wacht': "is de dood het slot/ of juist het sleutelgat". Lichtvoetiger
wordt over doodgaan geschreven in 'Dotje' - de dode poes geeft de vijf mezeneitjes
in het nest meteen een veilig toekomstperspectief - en ook, zij het wat wranger,
in 'Gratis konijn' waarin het zieke beest net voor hij aan de beurt is bij
de dierenarts met een "oewoew" de geest geeft: "Oewoew/ hij
strekte zich/ en het was voorbij/ en net nog gratis uit". Een paar mooie
natuurgedichten ook in deze bundel, prachtig door de eenvoud van de verwoording.
'Mooi is', bijvoorbeeld, met bijzondere en tegelijk voor de hand liggende
beelden: "zeven reigers, grijze lappen/ flodderend als vuilniszakken/
in de vlinderslag". Hans Hagen roept meesterlijk prille verliefdheid
en nog onvervuld verlangen op in het lange gedicht 'Désiré':
de nog onbekende beminde is er alleen nog maar in dromen en fantasieën,
deinend op een imaginaire boot waarin de dichter wil wonen en schrijven in
haar gezelschap en haar schildert in woorden en haar schrijft in roze en blauw.
Ik schilder je in woorden is een mooie en verrassende bundel. Met toegankelijke
poëtische middelen - soepele rijmen, ingenieuze taalvondsten en beelden,
verrassende toonwisselingen en klankrijke ritmes - schrijft Hans Hagen vaak
aangrijpende verzen over opgroeien, verkennen en begrijpen. De etherische
tekeningen van Willemien Min konden de woorden niet beter schilderen.
De
Vlaamse dichter Geert de Kockere publiceerde in samenwerking met begenadigde
illustratoren al heel wat mooi ogende bundels voor jonge kinderen. Hij liet
zich ook nu weer in zijn nieuwste bundel Een reus met lange armen inspireren
door de toon en de ritmes van oude bakerrijmpjes. Daar speelt de betekenis
nauwelijks een rol, en gaat het bijna uitsluitend om klank, rijm en melodie.
Klank- en woordassociaties houden die grappige nonsens aan elkaar en leveren
zo het bekende 'ienemienemutte'-effect op. Een paar keer lukt dat in deze
bundel. In 'Theekransje' bijvoorbeeld, waar met letters gespeeld wordt: "Juffrouw
A. uit C./ en juffrouw B. uit D./ dronken samen FF/ T in E. bij G." Ook
'Gansje' is geestig bedacht en zit ritmisch wel goed: "Gansje de Voorste,/
de eerste, de beste,/ vloog naar het westen..." Vaker laat De Kockere
zich verleiden tot onnozel gerijmel en al te flauwe taalgrapjes en absurditeiten
of tot misplaatste pseudo-diepzinnigheden. In 'Schoentjes' leiden de associaties
wel erg ver: "Varkensleer/ of koeineleer?/ Soepel leer/ of godsdienstleer?/
Nee,/ dat laatste is te schaars/ en lappen de meesten/ aan hun laars."
Alweer maken de mooie vormgeving en de intrigerende illustraties van Johan
Devrome een en ander goed.
Nog meer Nursery Rhymes,
uit het Engels vertaald door Hans Kuyper, in Het Grote Grappige Rare Rijmpjes
Boek, een prachtige uitgave met meesterlijke prenten van Lucy Cousins,
die met haar Muis-boeken de wereld veroverde. Een heikele onderneming met
het geweest zijn, deze eeuwenoude Engelse bakerrijmen een aanvaardbare Nederlandse
versie te geven. Meestal is de omzetting acceptabel. Soms schiet het ritme
erbij in en klinkt het rijm wat moeizaam. Toch blijven ze doorgaans herkenbaar.
Alleszins een ideaal boek voor kleine poëzieliefhebbers.
Lucy Cousins, Hans Kuyper
Het Grote Grappige Rare Rijmpjes Boek
Leopold, Amsterdam, 64 p., 16,50 €.
Geert de Kockere
ill. Johan Devrome
Een reus met lange armen
De Eenhoorn, Wielsbeke, 26 p., 12,50 €.
Hans Hagen
ill. Willemien Min
Ik schilder je in woorden
Van Goor, Amsterdam, 56 p., 13,75 €.