De wereld is één groot complot

In Winterijs voert Peter van Gestel drie tienjarige kinderen op die een vriendschapsverbond sluiten in het naoorlogse Amsterdam. Gaandeweg ontsluieren ze elk hun geheim.

Winterijs"Hoe begin je een verhaal? En aan wie kun je het kwijt?" Daar zit de tienjarige Thomas Vrij over te piekeren, op een bloedhete dag van de memorabele zomer van 1947 in Amsterdam. "Ik begin maar met iets." En daar gaat ie. Met een terloopse vermelding over zijn moeder, bijvoorbeeld, hoe die tweede kerstdag 1945 doodging. En over wat er tijdens de voorbije, al even memorabele, ijskoude winter is gebeurd.
   Peter van Gestel laat zijn jonge held, een rasverteller en bevlogen verzinner, het hele verhaal doen, in een nuchter registrerende, wat stoere, jongensachtige stijl en toon. Wat er gebeurt, is niet echt veel en al evenmin bijzonder spectaculair. Thomas raakt bevriend met Piet Zwaan, een nieuwe in de klas. Een wat ouwelijk uitziend stil kereltje is het, Zwaan, met donkere haren en 'slome krullen', een meneertje met kleren en met een taalgebruik die een betere afkomst verraden. Allenig ook, net als Thomas zelf, die het moet stellen met een artiesterige vader met vergeefse schrijversambities. Twee buitenbeentjes in een pesterige klas met elk hun eigen verdriet dat lange tijd niet wordt uitgesproken, want "wat je denkt kun je niet zeggen". Een vreemd stel vormen ze wel, die twee, en op het eerste gezicht hebben ze maar weinig gemeen. Thomas, een zwerver, een vrijbuiter, met snotneus, smerige voeten en versleten kleren, en met verzonnen sterke verhalen in een plat Amsterdams en gevloek, die zijn misère moeten camoufleren. Zwaan, slim en belezen (weet alles over poolijs en de Eerste Wereldoorlog), schoon en welgemanierd. Maar allebei levensechte tienjarige jongens, die met aandoenlijke onbevangenheid de wereld en de volwassenen bekijken. Wanneer Thomas' vader een baantje vindt in 'Moffrika', bij de Engelse censuur, logeert hij een tijd bij Zwaan in een statig ('poenig') herenhuis aan de Weteringschans. Hij maakt er kennis met de ziekelijke en schimmige Tante Jos en met Bet, haar dertienjarige dochter en het nichtje van Zwaan, en meteen ook met een andere levensstijl. De drie kinderen gaan al gauw een tijdelijk vriendschapsverbond sluiten, een wereld apart van de volwassenen die stuk voor stuk opgesloten zitten in het eigen onverteerde verleden, waarin kinderen niet toegelaten zijn. Want, zegt Thomas, "De wereld is één groot complot, dacht ik, alle mensen hebben afgesproken dat ze me niks vertellen. Ik zie het aan hun stiekeme smoelen." Ze struinen door de besneeuwde stad, over de dichtgevroren grachten, houden zich binnenshuis gedeisd voor Tante Jos en haar vreemde kapsones, en vertrouwen elkaar langzaam aftastend hun trieste ervaringen en verdriet toe. Stilaan kom je als lezer aan de weet dat de vader van Bet, de ouders van Zwaan en nog heel wat joodse familieleden werden 'weggehaald' door de Duitsers en nooit meer terugkwamen. Hun geheime foto's staan opgesteld in de kamer van Bet, te zorgelijk en ouwelijk voor haar leeftijd want "Ik begrijp te veel." Zwaan zat jaren ondergedoken in Deventer en kan zich zijn ouders nog nauwelijks voorstellen. Thomas heeft nooit geleerd hoe je over een dode moeder praten moet en voelt zich een "verrekte verraaier" als het dan toch gebeurt. Prachtig geëvoceerd is de episode waar de drie, voor even zonder vermoeiende tante in huis, vrij hun gang kunnen gaan.
    Euforische vrolijkheid, ontroerende intimiteit en eindeloze melancholie voeren hier - zoals in het hele boek overigens - wisselend de toon. Met de dooi komt ook een eind aan het verbond: Thomas verhuist met zijn vader naar Apeldoorn, Zwaan vertrekt naar Amerika en Bet vindt een onderkomen bij haar Amsterdamse oma. Alleen de herinneringen, een enkele brief en het gemis blijven over. Alledrie zijn ze weer alleen. Daar is, zo blijkt, geen ontkomen aan.
   Winterijs is een prachtig boek. Van Gestel slaagt er meesterlijk in de sfeer van het naoorlogse Amsterdam op te roepen: mensen die glijdend op het harde ijs met kolen voor de kachel lopen te sjouwen, de eeuwige voedselbons, de Cineac, de muziek, de trams, de namen van straten en grachten, de school met de duffe meesters, en vooral het gegeneerd wegmoffelen van wat toen nog nauwelijks geweten was. Een boeiend tijdsdocument is het, van een schrijver die in 1947 even oud moet zijn geweest als zijn helden. Ondanks de tragische context is Winterijs geen tranerige oorlogsgeschiedenis geworden. Door alles vanuit de ogen van onbevangen tienjarige jongens te laten bekijken zorgt Peter van Gestel voor een vrolijke argeloosheid en een luchtige afstand. Hij voert in korte scènes personages en gebeurtenissen op. Daarbij wordt weinig uitvoerig beschreven of verteld. De springlevende en geloofwaardige dialogen dragen het verhaal en geven elk personage een verbluffend eigen taalregister en karkater mee. Voor je er erg in hebt, raak je als lezer vertrouwd met de vaak tomeloze bluf en branie van Thomas Vrij, met de terughoudende zorgelijkheid van Bet en met de tobberige bedachtzaamheid van Piet Zwaan. Stuk voor stuk worden ze trouwe bekenden en ongemerkt maak je ten slotte deel uit van hun hartverwarmende en onvoorwaardelijke vriendschap. En daar gaat dit boek uiteindelijk over.

Annemie Leysen


Peter van Gestel
Winterijs
Fontein, Baarn, 250 p., 548 fr.
vanaf 10 jaar.


TerugCopyright ©  De  Morgen                     7 november 2001.