Fraai ogende poëziebundels voor jonge lezers

Voor je het weet sta je op eigen benen

Annie M.G.SchmidtVorige zondag zou ze negentig zijn geworden, Annie M.G.Schmidt. Tot vandaag blijven haar verzen en verhalen onverwoestbaar populair. Ze had dan ook zo'n onvergelijkbare manier om kinderen en volwassenen met de grootste vanzelfsprekendheid - zonder vermoeiend geëmmer over grenzen en verschillen tussen de twee 'literaturen' dus - met haar (nog altijd springlevende) woordkunst te charmeren en te ontroeren. Dat is niet iedereen gegeven. Joke van Leeuwen is ook zo iemand. In haar poëzie vind je diezelfde wonderlijke kijk op de wereld en een verwante, zij het heel eigen taalvirtuositeit.
   Allebei nemen ze hun jonge lezers au sérieux. Geen onnozel gerijmel voor die onnozele kleinen. Maar ook geen ingewikkeld bochtenwerk om het allemaal op 'serieuze' poëzie te laten lijken. Het is allemaal van een verbazende echtheid en 'naturel': herkenbaar, geestig, vol verbeelding en authentieke emotionaliteit, vakkundig geschreven en nog te snappen bovendien.
   In de Vlaamse en Nederlandse jeugdpoëzie van de laatste jaren wordt druk met vormen en stijlen geëxperimenteerd. Strakke rijmschema's en strofen vind je nog zelden. Er wordt vaak heel wat literaire competentie gevraagd van de jeugdige lezer want er staat zelden wat er staat en je moet tussen de regels gaan hengelen naar betekenis. Ver weg van Annie M.G.Schmidt dus, en ook anders dan de grappige, balorige of emotionele anekdotiek over het kinderlief en -leed van de dichters van het Nederlandse 'Schrijverscollectief' uit de jaren zeventig (met onder meer Willem Wilmink, Hans Dorrestijn, Karel Eykman) en van de Vlaming Daniel Billiet. Een groep dichters die in de jaren tachtig debuteerden in 'De Blauw Geruite Kiel', de toenmalige bijlage van Vrij Nederland, bepalen nog altijd grotendeels de toon: de vrijere en compacte vorm en de verdichte inhoud van hun werk blazen de verschillen tussen kinderpoëzie en gedichten voor volwassenen grotendeels op. Johanna Kruit, Remco Ekkers, Wiel Kusters, Ted van Lieshout, Fetze Pijlman en Bas Rompa, en ook niet-clubleden als Leendert Witvliet, en meer recent ook Ed Franck, André Sollie en Eva Gerlach, allemaal schrijven ze 'Gedichten voor kinderen en andere volwassenen' (een ondertiteling die Kees Fens zijn indertijd ophefmakende bloemlezing Goedemorgen Welterusten meegaf). Zij laten veel vermoeden en vertellen weinig direct in een poëzie die met grote stilistische zorgvuldigheid gemaakt wordt.
Opgevouwen wit   Uitgeverij DI-VERS nam sinds kort over waar uitgeverij Bakermat ooit mee begonnen was: het uitgeven van fraai ogende poëziebundels voor jonge lezers. Onlangs verschenen er vier nieuwe. Ze zien er weer aardig uit, mooi geïllustreerd en ingebonden. De titels van de boekjes laten meteen al vermoeden dat de poëtische trend zich ook hier voortzet. De zachte dwang van regen bijvoorbeeld, van de Vlaamse dichteres Gil vander Heyden. In haar meest recente bundels Een puntje krokus en Opgevouwen wit ging ze almaar soberder en zuiniger schrijven. Alweer wordt de taal tot de essentie herleid: korte, vaak onaffe versregels, losse woordflarden en een talige spitsvondigheid hier en daar om geladen faits divers of emoties te evoceren. In een eerste reeks gedichten een paar mooie natuurindrukken en enkele geloofwaardige verzen over jeugdige verliefdheid. In 'Onweer' wordt het natuurgeweld inventief gesuggereerd: "Het onweer stuurt/ zijn troepn vooruit./ Met opgetrokken schouders/ vatten bomen sidderen aan." treffend is ook de tegenstelling weergegeven tussen oud en jong in 'Snoepje', waarin een jonge vertelster zich met "de bloesem uit mijn haar" bewust is van de voordelen van haar leeftijd, op haar weg langs een tehuis: "De oude vrouwen/ in hun verdrietige lijfjes,/ hun mannen verstramd/ in te jonge gebaren." In een cyclus van twaalf gedichten staat de herinnering aan een jonge dode Kristiaan en aan diens slopende ziekte centraal. Erg wisselend van stemming en van kwaliteit zijn deze mijmeringen. In 'Gedachte' wordt al geanticipeerd op het gemis: "Zoals de tuinman/ de kleine tuin/ belangrijker doet lijken./ Zo lijk ik/ met jou naast me/ aan alles meer./ Waar blijf ik/ als jij wegblijft?"
   Een bijwijlen indrukwekkende bundel is dit, met veel authentieke melancholie. Veruit de interessantste van de vier.
Thuis in een vreemde tuin   Dag Rots van de Nederlander Kees Spiering is minder overtuigend dan de vorige drie bundels die hij schreef en de beelden en observaties blijven, vrees ik, niet hangen zoals de aangrijpende gedichten over een dode grootmoeder in Thuis in een vreemde tuin dat wel doen. Het openingsgedicht 'Opnieuw', een poging tot ars poetica, is weinig origineel. Verhalen over gepeste zusjes, over ontrouwe verliefdheden en liefjes, over vertrokken vaders, het is allemaal al vaker zo gezegd en geschreven. Een enkele keer komt er nog een verrassend beeld, in 'Woord' bijvoorbeeld: "Je woord was een tak./ Zo een waarvan je denkt:/ die houdt, maar hij brak/ zodra ik er op stond." Niet onaardig is de associatie met de herinneringen aan het vissen met opa wanneer de verteller merkt hoe elleboogjes macaroni door de gaten van het vergiet steken: "Hoe vingers, vuil/ gegroefd, plukten aan/ een kluwentje maden."
   Frank Eerhart was in 1980 de oprichter van stichting Plint, die gedichten op prachtige posters, truitjes en ansichtkaarten uitgeeft. Over dag en nacht is zijn vierde bundel. Geen echt ingewikkelde, maar vrij toegankelijke gedichten, vaak nogal luchtig van toon en in eenvoudige taal en beelden gezet. Vooral het titelgedicht is bijzonder: er wordt gespeeld met het beeld van de schaduw als dubbelganger: "Hoe langer je loopt/ hoe langer hij wordt/ alsof je sneller groeit/ hij verdwijnt/ in het donker/ jij blijft over/ in de nacht." Eerhart laat zijn lezers ook weleens met een nieuwe blik naar de werkelijkheid kijken. Naar klimop op een muur, bijvoorbeeld, die er naargelang de lichtinval, als een muur vol kikkerpoten en dan weer als een wollig wandtapijt uitziet. Of naar je eigen groei naar volwassenheid in 'Evolutie': "Onhandig scharrelend/ in zijn schaal om/ ergens uit te komen./ Voor je het weet/ sta je op eigen benen." Al bij al een halve bundel prettig leesbare gedichten, geestig en soms ontroerend in hun simpelheid. De summiere illustraties van Iris Le Rutte sluiten er goed bij aan.
    Van Erik van Os, ten slotte, een verzameling gedichten over de liefde in Ik was zo'n steentje in jouw schoen. Hij schreef eerder al lichtvoetige versjes en liedjesteksten voor kleuters en beginnende geletterden. Die cabatereske luchtigheid zit ook in deze kalverliefdesgedichten. Taalgrapjes en woordspelingen zijn soms aardig en grappig, maar de overdaad gaat ten slotte weleens irriteren net als het vaak voorspelbare gerijmel. En dan krijg je weer heimwee naar Mevrouw Schmidt.

Annemie Leysen
 


Gil vander Heyden
De zachte dwang van regen
DI-VERS, 40 p., 370 fr.

Kees Spiering
Dag Rots
DI-VERS, 40 p., 370 fr.

Frank Eerhart
Iris Le Rutte (ill.)

Over dag en nacht
DI-VERS, Baarn, 46 p., 370 fr.

Erik van Os
Ik was zo'n steentje in jouw schoen
DI-VERS, 40 p., 370 fr.


TerugCopyright ©  De  Morgen                     23 mei 2001.