Bloemlezingen
van poëzie voor kinderen zijn vaak ingedeeld per thema. Gedichten over
de eerste verliefdheid, versjes over juf meester, over doodgaan en huisdieren.
In De dichter is een tovenaar, een vorig jaar verschenen bloemlezing
van Jan van Coillie (ondertussen al een standaardwerk), staat achterin zelfs
een lange index met allerlei trefwoorden. Poëzie als gebruiksvoorwerp,
zo lijkt het wel. Gedichten die je eigenlijk niet meer lukraak of kriskras
ontdekt, maar netjes volgens je gemoedstoestand kunt uitkiezen. Uit de eerste
bundel voor kinderen van de Nederlandse Eva Gerlach koos Van Coillie vier
gedichten die hij onderbracht bij de hoofdstukken 'gevoelens', 'familie',
en 'sterke verhalen'. Zo'n trefwoordenaanpak doet heel wat af van het fijne,
rijke palet van bedoelingen en interpretaties, neemt de geheimzinigheid weg,
plakt etiketten waar het nu juist bijna onfatsoenlijk is die te plakken.
Van Eva Gerlach verscheen zopas een tweede
bundel, Oog in oog in oog in oog, alweer een bijzonder staaltje van
vertelkunst en taalgevoel, fijnzinnige humor en apart observatievermogen,
schitterend geïllustreerd door Sieb Posthuma. Gerlach deelt het boek
op in zes afdelingen, waarin steeds opnieuw een ik-persoon aan het woord is.
Soms vertelt ze ware verhaaltjes in de vorm van op elkaar
volgende gedichten. De eerste twee delen gaan over absurde, plotselinge verdwijningen.
Van een gehaat èn geliefd zusje, van een onafscheidelijke vriend. De
derde afdeling is misschien de intrigerendste. 'Ben ik' bevat zes aparte gedichten
waarin de ik met haar eigen lijf communiceert. Het vel zit niet altijd goed,
er wil wat uit dat lijf, er woedt een storm binnenin. Eva Gerlach doet hier
precies van Jan van Coillie in zijn anthologie deed: ze rangschikt netjes
haar eigen creaties per thema. Hetzelfde geldt voor 'Lief', acht gedichten
over liefde. Of beter: vurig verlangen, kermisgevoel, geen flauwekul, een
holte in het laken, missen als een "manier om niet te bestaan".
Over kalverliefde waarin toekomstdromen nog klinken als een "grote prachtige
tijd vol werkelijkheid".
Zoals de titel van de bundel al suggereert zijn bijna alle
gedichten weerspiegelingen van het diepste ik van de verteller. Opgravingen
uit een duistere ziel. Pogingen tot communicatie met je jonge zelf, en het
moeilijke daarvan. Zoals blijkt uit de eerste drie strofen van 'Iemand'.
Iemand woont in mijn lijf die is gevlucht
van lang geleden hierheen. Wat doe je ertegen,
aldoor als ik wil bewegen voel in hem.Als ik een lucifer afstrijk voel ik zijn hand met de vuursteen,
als ik het raam openduw spant zijn arm gauw een boog
en door mijn sportschoenen heen zie ik telkens zijn voeten.Zijn zweet tegen mijn hemd, zijn kakement
op mijn boterham, bleekscheet van eeuwen achter mijn sproeten,
zijn donkerrooie haren in mijn kam.
In een ander gedicht doet Gerlachs stijl wat denken aan die van Joke van
Leeuwen: "Hier sta ik in de spiegel en ik schud me / ik ban niemand maar
ik schud me kijk ik krijg / van dat slappe bibberdril hier daar."
Maar
Joke van Leeuwen experimenteert veel meer met taal. In Ozo heppie en andere
versjes lijk je haar wel te horen. Ze bootst heel overdreven een sappig
spreektaaltje fonetisch na. Dat blijkt al uit de titel, maar ook in 'Beugelsj',
een gedicht waarin een kind met een beugel met de nodige sj's spreekt over
het verdriet dat gepaard gaat met het dragen van zo'n apparaat. Ze eindigt
toch nog heel optimistisch: "Maar ik word sjo mooi, sjo mooi!"
Van Leeuwen zoekt muziek en ritmiek in taal, een beetje
zoals Annie M.G. Schmidt. Ook Van Leeuwens poëzie nodigt uit tot zingen
of scanderen, en dat komt door het gebruik van tempo, rijm en alliteratie.
Er zijn verzen om te mompelen als je niet goed in slaap kunt komen, en als
je niet goed wakker kunt worden - gymnastiek voor je lippen. Als je Joke van
Leeuwen, die in een vorig leven cabaretière was, een keer live aan
het werk hebt gezien, kun je niet anders dan haar bekkentrekkerij voor je
zien bij het lezen van die regels.
Taal kan ook breken, zoals in 'Lijmen', een kort gedicht
over drie stenen beestjes die zijn stukgevallen en (verkeerd) weer aan elkaar
gelijmd werden:
Ik heb drie beestjes,
Drie beestjes van steen.
Een volentje.
Een veukentje.
Een vargeltje.
Van Leeuwen bracht in Ozo heppie alle "rondslingerende versjes" samen, gedichten die ze ooit op een podium bracht, of die verstopt zaten in een verhaal. Het zijn meestal grappige taalspelletjes, en hier en daar zit er een fijngevoelig, beetje ernstiger vres tussen. In de vorm van een vraag bijvoorbeeld, zoals het volgend frêle, beetje hortende ding:
Mama, zegt
hij op een morgen, als
dinosaurussen nooit meerbestaan kan dat dat ooit
met beren en met mensen
ook zo gaan en waar
heb je mijn kleren klaargelegd?
Eva Gerlach
(ill. Sieb Posthuma)
Oog in oog in oog in oog
Querido, Amsterdam, 54 p., 549 fr.
vanaf 10 jaar.
Joke van Leeuwen
Ozo heppie en andere versjes
Querido, Amsterdam, 47 p., 500 fr.
vanaf 8 jaar.
Jan van Coillie
ill. Klaas Verplancke
De dichter is een tovenaar.
175 gedichten voor kinderen
Averbode, 229 p., 695 fr.
vanaf 10 jaar.