Kent
u dat nog van 'Jantje en de pruimen', of van die 'zeven kikkertjes al in een
boerensloot'? En dan dat ene over 'een grote hond en een kleine kat, die zaten
samen op de kamermat', of 'Nacht is niet boos' en 'Wie zal er ons kindeke
douwen'? 'De spin Sebastiaan' en 'Ik ben lekker stout', dat moet u allemaal
beslist nog wat zeggen. Om het collectieve geheugen voor de kinderpoëzie
van de voorbije twee eeuwen op te frissen verzamelde Anne de Vries in zijn
bloemlezing Van Alphen tot Zonderland 495 gedichten van 164 dichters.
Mondeling overgeleverde bakerrijmpjes en liedjes nam hij er niet bij. Hij
koos ook bewust voor het betere en oorspronkelijke werk en liet het al te
nadrukkelijke gemoraliseer achterwege. In zijn inleiding verantwoordt Anne
de Vries zijn keuze met een citaat van Busken Huet uit 1863: "De kinderdichter
mag en kan moraliseren. Hiertegen is als algemeen beginsel, niets in te brengen.
Doch zijn mogen hangt van zijn kunnen af." De hier verzamelde gedichten
klinken speelser en geestiger dan je zou verwachten, ook al zit er heel wat
stichtelijk en belerends bij.
De titel klinkt misleidend. De bloemlezing begint bij enkele
'pre-Hieronymieten', dichters die al voor kinderen schreven voor Hieronymus
van Alphen de vader werd van de ' kinderliteratuur in de Lage Landen. Met
een anoniem gedichtje uit een catechismusboekje van 1624 bijvoorbeeld, en
met het 'Liedeken van Jesusken ende S. Ianneken, die spelen met het lammeken'
van Adriaan Poirters. DeVries sluit af met vier gedichten van Eva Gerlach
uit haar bundel voor kinderen Hee meneer Eland, die in 1998 is verschenen.
(Ook al weer vijftig jaar later dan 'De blikken fluit' van Daan Zonderland.)
Het boek geeft een interessant overzicht van 220 jaren kinderpoëzie,
in het bijzonder van de veranderende stijl, ook a1 klinken sommige rijmen
van Van Alphen (1778) en latere collega's al opvallend modern. Bij het doorbladeren
merk je hoe lay-out en vorm alsmaar vrijer worden, en hoe gedichten van Gerlach,
Kees Spiering, Andre Sollie, Johanna Kruit en Edward van de Vendel zowel thematisch
als vormelijk dicht aanleunen bij poëzie die vandaag voor volwassenen
wordt geschreven.
Ook voor sociaal-historici of voor pedagogen geeft de bloemlezing
een boeiend inzicht in het veranderend kindbeeld: van braaf en zoet naar rebels
en mondig. Dat laatste gaat dan vooral op voor de gedichten uit de jaren zeventig,
die het jonge volkje wilden emanciperen. Annie M.G. Schmidt en haar tijdgenoten
(Han G. Hoekstra, Diet Huber, Hans Andreus e.a.) vormden na 1950 de grote
breuklijn met wat voorafging.
Een indrukwekkende bundeling voor de kenner dus, deze Van
Alphen tot Zonderland, maar ook herkenbare lectuur voor de nostalgicus.
Jammer alleen dat de inleiding erg summier blijft. Wie, zoals De Vries in
zijn inleiding vertelt, 75.000 gedichten uit 1.500 bundels van meer dan 500
dichters heeft doorgeploegd, moet uit al dat leeswerk toch een schat aan bevindingen
en ontdekkingen kunnen meegeven. En dat zit er, vrees ik, niet in.
Jan van Coillie is ook
al een verwoede bloemlezer van kinder- en jeugdpoezie. Voor De dichter
is een tovenaar, inmiddels al zijn vijfde verzameling, selecteerde hij
175 gedichten voor kinderen van vijf tot twaalf jaar, verschenen tussen 1990
en 2000. Titel en inleiding verwijzen naar 'Een dichter', een prachtig gedicht
van Johanna Kruit dat de ars poetica van de moderne kinder- en jeugdpoëzie
goed weergeeft. Geen historisch overzicht uiteraard in deze bloemlezing, maar
een bundeling rond thema's als 'Feesten', 'Lezen', 'Dieren', 'Gedachten' en
'Familie'. Elk thema wordt ingeleid met een citaat en een grappige illustratie
van Klaas Verplancke. Humor en taalgrapjes voor de jonge poezieliefhebbers
wisselen af met grote gevoelens en sfeerbeelden voor aankomende pubers.
Het engagement van dertig jaar geleden vind je hier nog
nauwelijks terug, tenzij bij oude rotten in het vak, zoals Willem Wilmink,
Theo Olthuis en Daniël Billiet. Soms wordt er wat veel uit dezelfde vaatjes
getapt: Wilmink, Leendert Witvliet, Johanna Kruit, Ed Franck en Shel Silverstein
zijn terecht uitvoerig aanwezig, maar van Joke van Leeuwen bijvoorbeeld dan
weer geen spoor.
Toch is De dichter is een tovenaar alweer een handige
en fraai uitgegeven schatkamer voor wie dichters wat dichterbij de kinderen
wil brengen en voor kinderen die die zelf al hadden ontdekt.