De Nederlandse en Vlaamse jeugdliteratuur werd er vertegenwoordigd door
Wim Hofman, Bart Moeyaert, Joke van Leeuwen, Anne Provoost en Rita Verschuur
- vijf topauteurs die tijdens twee ontmoetingen de kans kregen om kennis
te maken met hun collega's uit Groot-Brittannië. De Britse afvaardiging
bestond uit enkele internationaal gevestigde namen, zoals Janni Howker,
auteur van
Toen onze Daniël doodging en Wormen voor mevrouw
Brady, Michael Morpurgo, van wie, behalve zijn klassieker Oorlogspaard,
maar liefst 17 werken in het Nederlands werden vertaald, en David Almond,
auteur van De schaduw van Skellig
en Kit's Wilderness, een verhalenbundel die volgende maand in het
Nederlands verschijnt.
Nicholas
Tucker, jeugdboekenrecensent voor The Times en The Independent,
viel soms uit zijn rol als moderator om de toehoorders te wijzen op de
opvoedende taak die een jeugdschrijver volgens hem moet vervullen. Ook
een als progressief te boek staande auteur als Jenni Howker was het maar
ten dele met Provoost eens. Een amoreel kinderboek moet kunnen, vond ze,
al voegde ze eraan toe dat het verhaal in zo'n geval maar beter geduid
kan worden door een eerste persoon, "de vertelvorm waarmee de jonge lezer
zich het makkelijkst identificeert".
Bart
Moeyaert legde als schrijver precies de omgekeerde weg af. Zijn debuut
Duet
met valse noten is in veel opzichten nog een klassiek jeugdboek. Pas
later vond hij een toon die net zo goed jongeren als volwassenen aanspreekt.
Het is precies in die toon dat Almond, Moeyaert en Van Leeuwen elkaar lijken
te vinden. Almond: "We leven alle drie in andere culturen, maar dat speelt
een ondergeschikte rol. Ik voel me verwant met een gemeenschap van jeugdboekenschrijvers,
het maakt niet veel uit of ze nu uit België, Nederland of Amerika
komen."
Van Leeuwen: "Precies. Ik ben ook beïnvloed door een Engelse traditie
van leeftijdloze boeken. Maar evengoed werd ik beïnvloed door bijbelverhalen,
of door mijn jeugd in België en Nederland. Er zijn verschillende culturen
die ervoor gezorgd hebben dat ik een toon vond die van mezelf is, en waarvan
ik alleen maar kan vaststellen dat die zowel kinderen als volwassenen aanspreekt.
Het is een idee waar niet iedereen het makkelijk mee heeft. Over Daniel
Charms las ik ergens dat hij kinderboeken moest schrijven om aan de kost
te komen. Ik ben er zeker van dat hij het type schrijver was dat er niet
over nadacht voor wie hij schreef."
Ook
de felle reacties op de stellingen van Provoost zijn volgens Moeyaert niet
noodzakelijk vanuit een cultuurverschil te begrijpen. "Het punt is dat
uiteindelijk niemand weet hoe kinderen denken. Anne stelt in haar essay
vragen waarop je geen antwoord kunt geven. Ik weet niet hoe een kind op
iets donkers reageert, zoals ik ook niet weet hoe een volwassene daarop
reageert."
Van
Leeuwen: "Men vergeet dat kinderen onderling even verschillend zijn als
volwassenen. Als ik op een normaalschool een lezing geef, sta ik soms versteld
hoe die achttienjarigen totaal vergeten zijn hoe het was om twaalf te zijn.
Zij praten over kinderen alsof het een vreemde diersoort is. Terwijl het
nauwelijks zes jaar geleden is dat ze nog zo'n dier waren." Moeyaert: "De
meeste mensen blikken op hun jeugd terug alsof het een Disneyfilm was.
Ze herinneren zich hoogstens nog hoe ze droevig werden omdat een speelgoedje
werd afgepakt, en hoe ze gelukkig werden als ze een speelgoedje kregen.
Maar zo denken kinderen niet. Het is wat volwassenen ervan maken."
Op de
vraag of een culturele uitwisseling als deze een doorbraak kan betekenen
voor de Nederlandstalige jeugdliteratuur, reageert Almond sceptisch: "Het
zal niet makkelijk zijn om de in wezen insulaire mentaliteit te veranderen.
Wij spreken Engels. Iedereen begrijpt je, maar het isoleert je tegelijkertijd
van andere literaturen. It's a shame."