Het verhaal bevat alle ingrediënten van een klassiek volkssprookje.
Er was eens een rijke maar kribbige koning ("Dat klonk schatrijk, maar
in zijn verbeelding zag de koning er niets bij. Daar werd hij humeurig
van, want hij hield van duidelijkheid"). In de paleistuin stond een boom
"die iedereen altijd sprakeloos maakte... Van al dat sprakeloze kreeg de
koning het op zijn heupen." Die boom zou bij de eerste klokslag van middernacht
gouden knoppen krijgen, bij de vierde gouden bloesems en bij de achtste
gouden vruchten, die telkens mysterieus worden geplukt voor de klok van
twaalf. De drie zonen van de koning houden om beurten de wacht bij
de vreemde boom, in de hoop de kostbare appelen te bemachtigen. "Ze konden
alle drie tot twaalf tellen, en ze begrepen wat de opdracht was." De oudste
zoon bouwt een feestje onder de boom en wordt op het cruciale plukmoment
door een vreselijke storm in zijn plannen gestoord. Weg zijn de gouden
appels. De tweede zoon vergaat het net zo: een ijzige wind bevriest alles
en iedereen als hij wil gaan plukken. De jongste en volgens de wetmatigheden
van het genre, enigszins anders geaarde zoon legt het minder uitbundig
aan boord en ontsluiert met lieflijke melodieën op zijn wilgenfluitje
het geheim van de boom. Het meisje Luna van de boom betovert hem met haar
lieftallige schoonheid.
Na
een eindeloze zoektocht ontmoet hij, op een bankje aan het einde van de
wereld, drie duivels die hem de nodige magische attributen bezorgen om
Luna te vinden en aan zijn borst te drukken. Dat er vervolgens nog lang
en gelukkig geleefd wordt, laat zich raden.
Zonder muzikale begeleiding maar alweer prachtig uitgegeven is Alice
in Wonderland van Lewis Carroll, dit keer zonder de tijdloze illustraties
van Carrolls vriend, de Punch-cartoonist Sir John Tenniel. De bekende
Oostenrijkse illustratrice Lisbeth Zwerger (in 1992 bekroond met de Hans
Christian Andersen Medal, zowat de Nobelprijs voor jeugdliteratuur) waagde
zich aan een nieuwe plastische interpretatie van het onsterfelijke verhaal.
Eerder gaf ook de Britse tekenaar Anthony Browne Alice een wat surrealistisch
eigen gezicht mee. Zwerger deed het anders over. Het personage Alice is
hier een wat verstild meisje, timide en met altijd neergeslagen blik, magertjes
in een bruin Engels schooluniform gestopt. Ze komt minder ondernemend over
dan de versies van John Tenniel of van Browne, en lijkt wat haar overkomt
lijdzaam te ondergaan. Zwerger bracht haar op die manier onder in de galerij
van archetypische sprookjesfiguren, die ze in haar eerder werk overvloedig
en prachtig portretteerde. Nu mag Alice Lidell, het dochtertje van een
bevriende collega van Charles Dodgson, of Lewis Carroll, en de platonische
muze van de schrijver, al een welopgevoed meisje zijn geweest, met goede
manieren, in het boek is ze allerminst en haar mondje gevallen. Zwergers
interpretatie, hoe meesterlijk ook, geeft weinig weer van de spitsvondige
en alerte snuggerheid van Alice. Van de absurde sfeer van bijvoorbeeld
de getikte theevisite is al evenmin veel te merken op de overigens etherisch
gekleurde en geschilderde plaat. Mooi gedaan dus, maar niet zo'n geslaagde
combinatie van tekst en beeld. Voor deze uitgave werd de schitterende volledige
vertaling van Nicolaas Matsier uit 1994 opnieuw gebruikt. Hij slaagde er
meesterlijk in Alice in Wonderland, een door en door Engels boek,
boordevol hints en verwijzingen naar Engelse toestanden, namen en uitdrukkingen,
in het Nederlands om te zetten.