'Beste
God,' zou ik zeggen, 'ik hou van Mimoen en hij van mij, maar dat kan eigenlijk
niet en daarom verzint hij een smoesje om het uit te maken. Wij moeten
uit elkaar, want in de achtste groep zijn we al bijna grote mensen. Grote
mensen houden ervan dat er dingen niet mogen. Amen.'
Grote
mensen, daar kan je beter soep van koken is het Madelief-boek dat mij
nog het meest voor de geest staat. Guus Kuijer schreef er in de jaren zeventig
vijf, en kreeg in 1979 de Staatsprijs voor Kinder- en Jeugdliteratuur.
Madelief was een sprietig meisje dat met haar moeder in een beetje grauwe
buurt woonde en zich vooral amuseerde op een braakliggend lapje grond en
erg nieuwsgierig was naar een enkele outlaw die alleen in een geheimzinnig
huis woonde.
Ik verslond
Kuijers boeken als kind, maar moet eerlijk toegeven dat de details vandaag
wat vaag geworden zijn. Toen ik Voor altijd samen, amen las, kwam
het allemaal een beetje terug. Ook in dit boek schaamt Polleke (een andere
Madelief) zich een beetje om haar alleenstaande moeder, is een beetje dichter
en een beetje filosoof, een beetje erg verliefd en erg boos. Om te beginnen:
boos. Op haar vader Spiek die niet het lef heeft naar haar terug te komen.
Boos op nog wat andere grote mensen zoals de ouders van Mimoen, haar Marokkaans
liefje, dat niet te intiem met haar mag worden.
"Grote
mensen houden ervan dat er dingen niet mogen", dus. Of, wat verder: "We
liepen een eind nergens heen en liepen terug. Wandelen heet dat. Grote
mensen zijn er gek op." Net als Madelief destijds is Polly een echte bakvis
van een jaar of elf. Ze giechelt met haar vriendin (als ze niet weer eens
ruzie maken) en ze begrijpt niets van ouders of ouderen. Alleen haar grootouders
op de boerenbuiten staan in een goed blaadje. Polly krijgt een echt, warm,
pasgeboren kalf van hen, en dat doet haar toch wel wat. Spiek, haar vader,
kan ook wel wat teweeg brengen. Als hij de bak invliegt, stapt Polleke
vastberaden en onnozel naar de gevangenis en zegt tegen de portier dat
ze hem per ongeluk hebben opgesloten.
'Ik
kom hem halen,' zeg ik, 'want hij dielt wel, maar het is voor een goed
doel.' (...) Als hij geen hasj rookt kan hij niet dichten. Spiek is dichter.
Dus is het voor een goed doel.'
En dan
kan ze weer niet anders dan verschrikkelijk kwaad worden, zo woedend, net
als op de vrouw van haar vader, en eigenlijk op iedereen die haar tegenwerkt.
Ze wordt dan ook nogal tegengewerkt. Polleke maakt eigenlijk trieste dingen
mee, maar Kuijer laat het niet te erg aan het hart van zijn lezers komen.
En dat is sympathiek van hem. Je moet het maar meemaken: je moeder wordt
verliefd op je meester (walgelijk idee vind ik dat zelf), je vader kan
niet voor zichzelf zorgen, je vriendje moet met een ander trouwen. Geen
wonder dat je vooral kwaad wordt op jezelf. Polleke kan zich meer dan eens
voor het hoofd slaan, omdat er woorden komen waar ze niet eerst over nagedacht
heeft.
Het
boek staat vol met 'poësie'-achtige versjes. Heel erg mooi, soms een
beetje volwassen, vaak de creatie van een onbedorven, lief elfjarig bakvisje
als Polleke. Lees bijvoorbeeld het allerlaatste gedichtje: "Alles hoort
zoals het is / Een vis in het water / een vogel in de lucht / een hand
in de mijne / de zijne." Van de hand van Polleke, een dichter. Daar is
het al helemaal fout mee begonnen, want nadat Polleke verlegen op school
heeft bekend dat ze later dichter wil worden (ze zei alwéér
iets heel verkeerds), drukt Mimoen haar op straat een briefje in de hand:
'Ik
ga niet meer met jou, want dat mag geloof ik helemaal niet in mijn cultuur
dat een vrouw dichter is, dat mag vast niet, denk ik, en wie wil er nou
dichter zijn?'
Opzettelijk,
en eerlijk gezegd ben ik daar opgelucht over, heb ik het niet over de maatschappelijke
thema's die Guus Kuijer behandelt. Al kun je er eigenlijk niet echt omheen.
Niet toevallig voert hij een multiculturele klas ten tonele, gescheiden
ouders en alternatieve gezinnen. Maar Kuijer doet dat op een ongedwongen
manier, alsof het per ongeluk is. Hij wil absoluut niet dat zijn boeken
onder het label 'probleemboek' van de hand gaan.
Dat
zijn ze trouwens ook allerminst. Polleke heeft het best naar haar zin met
haar moeder, en ten slotte vindt ze ook haar meester wel lief. Ze wint
Mimoen terug, en is gelukkig. Polleke schopt en krabt dat het soms niet
mooi meer is, maar uiteindelijk ziet haar leven er rooskleurig uit. En
toch zoekt menig lezer naar een boodschap. Tijdens een lezing die hij onlangs
in Leuven hield zei Kuijer: "Het gaat zelfs zo ver dat menigeen denkt dat
een roman eigenlijk een traktaat is of een essay dat in verhaalvorm is
gegoten. Of simpeler gezegd: een schrijver heeft een onderwerp en zoekt
daar personages bij en die personages laat hij zijn essay op verborgen
wijze uiteenzetten."
"Als
u mijn boeken leest in de veronderstelling dat zij een onderwerp behandelen
of een probleem aansnijden, komt u bedrogen uit," vervolgde hij. Hij vindt
de thema's die in een boek kunnen voorkomen beperkt (liefde, dood, eenzaamheid...)
maar de manieren waarop je ze kunt aanpakken talrijk. "Mijn boeken gaan
over het leven, althans over mijn visie daarop." Dat is alles.
Althans,
dat is natuurlijk niet alles, maar de rest kan de lezer zelf inkleuren.
Naar believen. Tenslotte is niets zo saai als een al ingekleurd plaatje.