Ze
won jaren geleden de Zilveren Griffel voor Eilandheimwee, een 'realistisch
sprookje'. Ze zou wat mij betreft met de regelmaat van een klok een belangrijke
prijs mogen krijgen. Vorig jaar kwam De dam uit. Een ander soort
boek, maar toch alweer over een heel bijzondere relatie tussen kind en
volwassene, waarbij het kind vreemd volwassen is, en de oudere zich soms
hoogst onverantwoordelijk, soms kinderlijk naïef voordoet. Selma Noort
werkt momenteel aan een nieuwe serie verhalen over een dakloze jongen en
zijn moeder: Pol en Lot. Het eerste deel, De poort, is net verschenen,
een parabelachtig verhaal, een moderne Rattenvanger met veel humor
en veel werkelijkheid. Een hard sprookje, waarin absoluut geen romantisch
leven wordt voorgesteld. En toch betekent iedere kleine meevaller voor
de zwervers Pol en Lot reuzengeluk. Geen geleuter over moederliefde en
verantwoordelijkheid, morele waarden versus materiële rijkdom, rechtvaardigheid
versus criminaliteit en toch zit het er allemaal in. Lot is werkloos maar
hoopvol. Ze is blij met een baantje als toiletjuffrouw in een oud brugwachtershuisje.
Selma Noort beweert misschien niet dat zwart-wittegenstellingen niet bestaan,
maar ze bewijst wel dat het in boeken niet hoeft. Haar sprookjeswereld
speelt zich af in de gewelddadige achterbuurten van een grote stad, maar
moeder Lot zorgt ervoor dat de lezer net geen medelijden krijgt met het
oncomfortabele leventje van Pol. Plezier in het leven staat voorop en het
kan gemaakt worden met haast onzichtbare dingen en vooral met een behoorlijke
portie naïviteit. De poort speelt zich af rond Kerstmis: kerstbomen,
lichtjes, slee en vrieskou maken dit verhaal over waarheden in het leven
soms een tikkeltje klef, maar dat past precies bij het karakter van Lot.
Geluk wordt gevonden in een plastic sneeuwpop met lichtjes en een oliebollenkraam.
Voor de jongen trouwens ook in de sterke armen van de huisbaas, maar Selma
Noort ontkracht al snel dat sentimentele geluksbeeld, want Lot is een vrouw
die altijd voor vrijheid kiest. En ze neemt Pol overal mee.
Trude de Jong schreef en Georgien Overwater tekende Een palm op de Veluwe,
over een alleenstaande man die een meisje adopteert. Hij liet zich het
idee aanpraten door zijn oudere zus en krijgt er al snel spijt van. Want
eenmaal door alle formaliteiten heen bereidde Gijs zich voor op de komst
van een kleine jongen die zijn eenzaamheid zou doorbreken. Op een dag staat
de Australische Lily voor de deur. Ze is een verwend nest van negen dat
net haar moeder heeft verloren. Gijs doet heel erg zijn best, Lily schijnbaar
niet. Gijs heeft nog veel te leren (wat Spice Girl-gympen zijn bijvoorbeeld,
maar ook dat ze misschien geen schaakkampioen zal worden en niet over haar
pleegvader zal opscheppen tegenover anderen). Lily doet geen moeite, ze
is zichzelf en dat betekent: eigenwijs en ondankbaar. Alleen het paard
van Gijs kan haar belangstelling opwekken. Daarachter schuilt wel meer
natuurlijk, eigenlijk is ze erg blij met haar nieuwe vader. Stilaan groeien
de twee toch naar elkaar toe, ontspant Gijs zich en stelt hij Lily on staat
haar best te doen.
Een
palm op de Veluwe is erg goed geschreven, luchtig met een ernstige
ondertoon. Het is brikbare lectuur voor soortgelijke omstandigheden: een
echte Lily zal er heel wat aan hebben, maar het boek is gelukkig evengoed
los daarvan te lezen. De stuntelige aanpak van Gijs en de onmogelijke situaties
waarin Lily haar wat dorre pleegvader doet verzeilen, zijn heerlijk om
te lezen. Een palm op de Veluwe is als een veredeld dagboek geschreven:
je leest een jaar lang de gedachten van Gijs. Je volgt zijn hoop en wanhoop,
briljant karikaturaal geïilustreerd door Georgien Overwater. Dat het
allemaal goed afloopt (en een beetje sentimenteel zelfs) hoeft niet te
storen.
