In dit boek suggereert Kathleen Vereecken onuitspreekbare gevoelens met
behulp van allerlei zintuiglijke indrukken. De geuren van kruiden, vers
zweet, brood en karnemelk hebben alles met Cecilia's eindeloze verlangen
naar haar moeder te maken. De dialogen klinken authentiek, zonder een zweem
van ergerlijk streekroman-Vlaams. Op de achtergrond wordt de sociale situatie
van een eeuw geleden summier geschetst. Alles wordt hier bekeken vanuit
de kleine heldin. Dat maakt een en ander geloofwaardig, maar zorgt soms
ook voor breedvoerig gepeins en overbodige pathetiek. Minder zou hier meer
zijn geweest.
Paul
Kustermans haalt zijn verhaalstof doorgaans uit de vaderlandse geschiedenis.
In Ik ben de jachtluipaard slaat hij een minder fraaie bladzij op:
de gruwelen die de eerste Belgische kolonialen in Kongo Vrijstaat, de privé-kolonie
van Leopold II, aanrichtten.
De roman
is opgebouwd als een boek in een boek. De zestienjarige Tessa schrijft
de verschrikkingen op die ze, eerst samen met haar vader en later alleen,
meemaakt in de nog haast onontgonnen Kongo Vrijstaat. Tessa's vader, een
notarisklerk, droomt van een grootser en meeslepender bestaan en raakt
gefascineerd door Stanley en door "een wereld zo groot, waar uw vlag staat
geplant". Haar moeder is weinig enthousiast over de wilde plannen van de
"kandidaat-beschaver". Tijdens de oudejaarsnacht van 1900 op 1901 komen
Tessa's moeder, zus en jonge broer om in een brand. Met haar vader vertrekt
ze naar Kongo en naar een nieuwe toekomst.
Haar
vader laat zich tijdens de overtocht niet ontnuchteren door de verhalen
over beestachtige praktijken van een verbitterde ambtenaar en blijft geloven
in de waarde van zijn culturele boodschap. In Leopoldstad wordt hij door
een schurk van een gewestbeheerder klaargestoomd voor zijn nieuwe baan:
de zwarten met ijzeren discipline de quota rubber voor de Belgische industrie
te laten bezorgen. Het leven op de handelspost, waar Tessa en haar vader
als enige blanken in primitieve omstandigheden moeten verblijven, is ontnuchterend.
Tessa's vader plooit zich, tot verbijstering van zijn dochter, naar de
gruwelijke gebruiken en moet dat met zijn leven bekopen. Dan volgt de gevaarlijke
vlucht van het meisje door de wildernis. Een zwarte jongen wiens hele dorp
door blanken is uitgemoord brengt haar ten slotte in veiligheid op een
Vlaamse missiepost. Op de bootreis naar België schrijft Tessa haar
verhaal.
Ik
ben de jachtluipaard is een boeiende roman. Paul Kustermans doet onomwonden
verslag van de onsmakelijke rol die België als kolonisator heeft gespeeld.
De Belgische koning en de held Stanley blijven niet overeind. De leugenachtigheid
die het allemaal moest camoufleren, maakt Kustermans duidelijk in de figuur
van zuster Imelda, die missieoverste die Tessa's gruwelverhalen als overspannen
hallucinaties wil afdoen.
De geuren
en kleuren van het Afrikaanse continent worden vaak erg beeldend opgeroepen.
Uit de vele wetenswaardigheden en verhelderende details blijkt hoe grondig
de auteur de situatie van toen heeft bestudeerd. Zo laat hij de zwarte
bevolking Belgen als Vlaming of Waal benoemen met "mondele godverdomme"
of "mondele nom de dieu". Maar vaak vervalt Kustermans in lachwekkende
breedvoerigheid en het boek loop over van de clichés. Zeg nu zelf:
"Een koude wurgslang lag om mijn hart"; "Hij had een adamsappel scherp
als een scheermes". In dit boek in een boek licht de jonge schrijfster
herhaaldelijk haar eigen schrijfstijl toe. Zo bijvoorbeeld: "Dit wordt
dus geen mooischrijverij, geen literatuur (met of zonder hoofdletter),
maar dat is ook de bedoeling niet. Als datgene wat ik schrijf maar de waarheid
is." De ars poetica van Paul Kustermans zelf?