Er was eens, een eeuw geleden, In Vlaanderen...

Eeuwwisselingen werken inspirerend, zo blijkt. In twee recente Vlaamse jeugdromans is de nakende twintigste eeuw de historische achtergrond: Ik ben de jachtluipaard van Paul Kustermans en Kleine Cecilia van Kathleen Vereecken roepen allebei een boeiend portret op van het Vlaamse leven van een eeuw geleden.
   Van Kathleen Vereecken verscheen in 1997 Alle kleuren grijs, een verrassende roman over de kinderarbeid in de Gentse vlasindustrie . In het intrigerende verhaal Kleine Cecilia blijft ze in dezelfde periode (" een stad ergens in Vlaanderen, 1895"), maar ditmaal zoomt ze in op de lotgevallen van een bijzonder personage. Cecilia is op haar elfde nauwelijks 83 centimeter groot: een broos wezentje op een boerenerf waar veel werk is. Haar moeder is altijd zwanger en haar jongere broertjes en zusjes groeien Cecilia algauw boven het hoofd. Om haat toekomst te verzekeren verkoopt haar moeder Cecila aan Oscar Milano, die haar op kermissen als attractie opvoert. Ze leert dansen, zingt als een engel en lokt telkens een volle tent nieuwsgierige, ontroerde of grijpgrage toeschouwers.
   Door de vriendschap met Alice, een arbeidersdochter in dienst bij rijkelui, ontdooit de "drieëntachtig centimeter onverschilligheid" stilaan. Kleine Cecilia is door haar handicap en vooral door de afwijzing van haar moeder een porseleinen popje geworden, gehard tegen verdriet en immuun voor welk gevoel dan ook. Alice slaagt erin tot haar door te dringen; ze laat Cecilia voor het eerst weer huilen en lachen. De scène waarin ze het poppenmeisje voor het eerst in jaren echt mee naar buiten neemt, naar de Leie, is bijzonder ontroerend. "De warmte stroomt omhoog naar Cecilia's wangen. Voor het eerst lijkt het niet bedreigend. Het doet alleen maar ongelooflijk veel plezier. Ze gaat op haar rug op het gras liggen en strekt haar armen naar beide kanten uit. Als een kat die zich gewonnen geeft en nu haar buik toont om geaaid te worden."
Detail omslagillustratie Kleine Cecilia   In dit boek suggereert Kathleen Vereecken onuitspreekbare gevoelens met behulp van allerlei zintuiglijke indrukken. De geuren van kruiden, vers zweet, brood en karnemelk hebben alles met Cecilia's eindeloze verlangen naar haar moeder te maken. De dialogen klinken authentiek, zonder een zweem van ergerlijk streekroman-Vlaams. Op de achtergrond wordt de sociale situatie van een eeuw geleden summier geschetst. Alles wordt hier bekeken vanuit de kleine heldin. Dat maakt een en ander geloofwaardig, maar zorgt soms ook voor breedvoerig gepeins en overbodige pathetiek. Minder zou hier meer zijn geweest.

Paul Kustermans haalt zijn verhaalstof doorgaans uit de vaderlandse geschiedenis. In Ik ben de jachtluipaard slaat hij een minder fraaie bladzij op: de gruwelen die de eerste Belgische kolonialen in Kongo Vrijstaat, de privé-kolonie van Leopold II, aanrichtten.
   De roman is opgebouwd als een boek in een boek. De zestienjarige Tessa schrijft de verschrikkingen op die ze, eerst samen met haar vader en later alleen, meemaakt in de nog haast onontgonnen Kongo Vrijstaat. Tessa's vader, een notarisklerk, droomt van een grootser en meeslepender bestaan en raakt gefascineerd door Stanley en door "een wereld zo groot, waar uw vlag staat geplant". Haar moeder is weinig enthousiast over de wilde plannen van de "kandidaat-beschaver". Tijdens de oudejaarsnacht van 1900 op 1901 komen Tessa's moeder, zus en jonge broer om in een brand. Met haar vader vertrekt ze naar Kongo en naar een nieuwe toekomst.
   Haar vader laat zich tijdens de overtocht niet ontnuchteren door de verhalen over beestachtige praktijken van een verbitterde ambtenaar en blijft geloven in de waarde van zijn culturele boodschap. In Leopoldstad wordt hij door een schurk van een gewestbeheerder klaargestoomd voor zijn nieuwe baan: de zwarten met ijzeren discipline de quota rubber voor de Belgische industrie te laten bezorgen. Het leven op de handelspost, waar Tessa en haar vader als enige blanken in primitieve omstandigheden moeten verblijven, is ontnuchterend. Tessa's vader plooit zich, tot verbijstering van zijn dochter, naar de gruwelijke gebruiken en moet dat met zijn leven bekopen. Dan volgt de gevaarlijke vlucht van het meisje door de wildernis. Een zwarte jongen wiens hele dorp door blanken is uitgemoord brengt haar ten slotte in veiligheid op een Vlaamse missiepost. Op de bootreis naar België schrijft Tessa haar verhaal.
   Ik ben de jachtluipaard is een boeiende roman. Paul Kustermans doet onomwonden verslag van de onsmakelijke rol die België als kolonisator heeft gespeeld. De Belgische koning en de held Stanley blijven niet overeind. De leugenachtigheid die het allemaal moest camoufleren, maakt Kustermans duidelijk in de figuur van zuster Imelda, die missieoverste die Tessa's gruwelverhalen als overspannen hallucinaties wil afdoen.
   De geuren en kleuren van het Afrikaanse continent worden vaak erg beeldend opgeroepen. Uit de vele wetenswaardigheden en verhelderende details blijkt hoe grondig de auteur de situatie van toen heeft bestudeerd. Zo laat hij de zwarte bevolking Belgen als Vlaming of Waal benoemen met "mondele godverdomme" of "mondele nom de dieu". Maar vaak vervalt Kustermans in lachwekkende breedvoerigheid en het boek loop over van de clichés. Zeg nu zelf: "Een koude wurgslang lag om mijn hart"; "Hij had een adamsappel scherp als een scheermes". In dit boek in een boek licht de jonge schrijfster herhaaldelijk haar eigen schrijfstijl toe. Zo bijvoorbeeld: "Dit wordt dus geen mooischrijverij, geen literatuur (met of zonder hoofdletter), maar dat is ook de bedoeling niet. Als datgene wat ik schrijf maar de waarheid is." De ars poetica van Paul Kustermans zelf?

Annemie Leysen
Kathleen Vereecken, Kleine Cecilia, Querido. 
Paul Kustermans, Ik ben de jachtluipaard, Averbode.



TerugCopyright ©  De  Morgen                     9 september 1999.