Koka tussen de mensen
André Boesberg, mij tot nog toe totaal onbekend, schreef
een zeer verdienstelijke, ijzig spannende roman voor kinderen vanaf een
jaar of tien.
Koka en de doodsviool van Bidshika is om te beginnen erg mooi uitgegeven
(en dat is altijd een goed begin), met een harde kaft en eenvoudige maar
prachtige tekeningen van Yvonne Jagtenberg. Op de kaft meteen al een afschrikwekkende
pasteltekening van een groepje kinderen zonder gezicht, gehuld in de herkenbare
streepjespakken van de concentratiekampen. Eén ventje kijkt op,
recht in de ogen van de nog onwetende lezer. Hij heeft helrode wangen (vlekjes
vermiljoen potlood) en priemende oogjes (twee ronde puntjes, pikzwart).
Binnenin gaat Jagtenberg in zwart-wit verder met huiveringwekkende, sombere
tekeningen, waarbij ze zich niet beperkt tot slechts één
techniek. Ze gooit alles bij elkaar en verkrijgt een soort collage-effect.
Houtskool, inkt, potlood, aquarel en verf weet ze met veel gevoel bij elkaar
te brengen voor illustraties die nauw aansluiten bij de toon van Boesberg.
En dan het verhaal. Koka is een zigeunerjongen van een
jaar of elf die we leren kennen in de zomer van 1943, ergens in Roemenië.
Hij woont met de andere Rom in woonwagens en wordt opgejaagd door de Duitsers.
Wanneer de hele kumpania (groep zigeuners) overvallen wordt en naar
Auschwitz gedeporteerd, zijn Koka en zijn zijn zusje Marlize de enigen
die achterblijven. Koka wordt gedwongen plots volwassen te zijn. Hij put
uit alles wat hem is geleerd om dit hachelijke avontuur te overleven. De
kinderen kunnen hier en daar rekenen op sympathie en stuiten weleens op
mensen die hen willen helpen. Maar ten slotte worden ook zij opgepakt en
opgesloten in het kinderkamp van Buchenwald.
Hoe hij het doet is me een raadsel, maar Boesberg weet
wel een heel realistische wereld op te roepen. Vanaf de eerste bladzijden
word je midden in het denken en leven van rondtrekkende zigeuners gegooid.
Daarbij valt vooral de trots van de Rom op. Iedereen die geen zigeuner
of Rom is wordt afgedaan als 'gaje', en daar wordt nogal laatdunkend over
gedaan. Gaje zijn dom en laten zich door bekoorlijke vrouwelijke zigeuners
de hand lezen voor veel geld. Gaje zijn ook wantrouwig en niet te vertrouwen
tegelijk. De Duitsers zijn de slechtsten onder de gaje. Koka is een kind,
en begrijpt nog minder dan zijn ouders wat er eigenlijk tegen zigeuners
is.
De kumpania van Koka's familie moet vaak 's nachts vluchten,
met goed gesmeerde wagens, lappen om de hoeven van de paarden gebonden,
en liefst door donkere bossen, zodat de troep onzichtbaar is voor overvliegende
vliegtuigen. Op een dag vraagt Koka waarom ze geen geweren hebben, om zich
als gelijken te kunnen verdedigen tegen mensenjagers. "Rom hebben geen
geweren, wij dansen lever en maken muziek. Geweren lossen niets op," krijgt
hij als antwoord van zijn vader. En daar moet hij het mee doen. Zijn haat
voor gaje, maar vooral voor verraders en Duitsers groeit.
Maar Boesberg is voorzichtig, hij doet zijn uiterste best
om geen enkel slachtoffer van de oorlog te vergeten. Schrijnend is bijvoorbeeld
een van de laatste beelden die hij oproept: de Amerikanen die Buchenwald
in 1945 bevrijden dwingen de inwoners van de nabijgelegen dorpen te komen
kijken naar de lijkenbergen. Een groep evengoed haveloze, uitgehongerde
overlevenden van een vreselijke oorlog roept uit dat ze van niets wisten.
De Amerikanen nemen de rol van bewustmakers op zich en treden even autoritair
als minachtend op tegen de dorpsbewoners, die ze medeplichtig noemen. "Kijken,
kijken," schreeuwen ze de mensen toe, wanneer die de hand voor de ogen
houden als ze een hoop lijken zien. Hun optreden doet op dat moment sterk
aan dat van de nazi's zelf denken.
Na de bevrijding gaan Koka, Yoeri (een vriendje wiens
vader voor de Duitsers werkte, maar alles deed om Koka's familie te redden)
en Marlize op zoek naar hun ouders. Een Amerikaanse soldaat neemt hen een
eind mee in een jeep. De kinderen krijgen alweer met een andere mensensoort
te maken: dit keer zijn ze geheel afhankelijk van macho jongens die hen
desnoods wel willen meenemen naar Virginia als ze hun ouders niet zouden
vinden. Ze worden overstelpt met chocola, krijgen een infuus van lieve
verpleegsters van het Rode Kruis en worden voor het vertrek nog lange tijd
verpleegd op het binnenplein van kamp Buchenwald, dat langzaam leegloop.
Overal wordt koortsachtig gezocht naar familieleden die nog in leven zijn,
alweer worden lijsten en nog meer lijsten met namen doorgenomen.
Koka en de doodsviool van Bidshika is bijlange
geen optimistisch boek en de jonge lezer wordt niets bespaard. Koka en
Marlize zijn getuige van alle smeerlapperij van de oorlog, gaande van verraad
tot medische proeven op kinderen en moord in koelen bloede. Hoewel er in
zekere zin een happy end is, voel je dat de oorlog een eind heeft gemaakt
aan een zorgeloos leven, ook voor de overlevenden komt het nooit meer helemaal
goed. De wonden zijn heel diep, en hoewel dat al bekend was, slaagt Boesberg
er in dat besef nog eens te bevestigen. Zijn stijl is filmisch, vlot en
heel overtuigend.
Koka en de doodsviool van Bidshika is een uitstekende
avonturenroman en tegelijk een huiveringwekkend realistische documentaire
van een van de donkerste perioden uit de recente geschiedenis.
Belle Kuijken
André Boesberg, Koka en de doodsviool van Bidshika,
geïllustreerd door Yvonne Jagtenberg, Fontein, vanaf tien jaar.
Copyright ©
26 november 1998.